4 regels over je verlichting die je wellicht nog niet kent

In de herfst- en wintermaanden ontkom je er bijna niet aan om in het donker te fietsen, tenzij je heel wat tijd hebt overdag. Goede fietsverlichting is dus essentieel als je ’s ochtends en ’s avonds op pad gaat. Maar ken jij alle regels eigenlijk, als het over verlichting gaat?

Gelukkig nemen de meeste wielrenners hun fietsverlichting behoorlijk serieus. Logisch ook, want als wielrenner weet je als geen ander hoe kwetsbaar je bent in het verkeer. Daarnaast vragen donkere ritjes in buitengebieden nu eenmaal om een heel goed licht, alleen al om zelf goed te kunnen zien.

Dat je desondanks niet iedere regel feilloos uit je hoofd weet, buiten de meest gangbare regels, kan natuurlijk. Er zijn maar weinig mensen die daar een complete studie van maken.

Over de bekendste regels gesproken: dat een voorlicht altijd geel of wit moet zijn, en een achterlicht rood, dat zul je vast wel weten. Hoe sterk een lamp schijnt maakt daarbij voor de wet niets uit. Zolang je andere weggebruikers maar niet verblind met je licht.

Tot zover heb je waarschijnlijk niks nieuws gehoord. Maar ken jij de volgende vier regels ook?

Een licht mag niet knipperen

Een fietslicht heeft vaak verschillende standen, waaronder ook een knipperlicht. Toch kun je die maar beter niet gebruiken, aangezien de Nederlandse wet voorschrijft dat een voor- of achterlicht permanent brandt.

Volgens onderzoekers val je trouwens wel beter op met een knipperlicht. Waarom het in ons land dan toch verboden is? Een knipperlicht zorgt er ook voor dat andere weggebruikers je snelheid en richting moeilijker kunnen inschatten. Bovendien lijkt zo’n lampje erg op een richtingaanwijzer. 

Een lamp mag niet bungelen

De wet is eigenlijk nog behoorlijk flexibel, als het over fietsverlichting gaat. Zo mag je gewoon een lamp aan je bovenlichaam hangen, zolang je dat maar voor én achter doet, in de goede kleuren. Ook moet zo’n licht recht naar voren schijnen, en constant zichtbaar zijn.

Waar je wel goed op moet letten is dat zo’n lampje niet gaat bungelen. Een lamp dragen die alle kanten op beweegt is namelijk verboden bij de wet.

Je mag maar één koplamp hebben

Als wielrenner kun je er voor kiezen om een reservelicht op je fiets te monteren. Een fijne gedachte, zeker als je niet exact weet hoe lang je onderweg zult zijn, of hoe lang je fietslicht het gaat volhouden.

Volgens de wet is dat geen enkel probleem natuurlijk, zolang je het maar laat om beide lichten tegelijk aan te zetten. Je fiets mag maar één koplamp hebben, om verwarring bij andere verkeersdeelnemers te voorkomen.

Alleen een lamp op je hoofd volstaat niet

Een fietslamp kun je ook nog op je helm bevestigen. Dat heeft natuurlijk als voordeel dat je mooi door een bocht kunt kijken, en eerder ziet wat eraan komt. 

Toch mag zo’n lamp niet je enige lamp zijn, en de reden is ook wel logisch. Want zodra je achterom kijkt met zo’n licht, dan ziet een tegemoetkomende weggebruiker helemaal geen licht meer.

Alleen maar lampjes aan je armen of benen bevestigen telt trouwens ook niet als volwaardige verlichting. Een paar lichten aan je bovenlichaam bevestigen is dan een beter plan.

Ook al dragen bovenstaande regels bij aan je eigen veiligheid, waarschijnlijk zul je niet snel een boete krijgen als je een keer de fout in gaat. De politie controleert doorgaans vooral of je überhaupt een licht op je fiets hebt. En dat heb jij als wielrenner natuurlijk wel voor elkaar.

Op de site van de Rijksoverheid staan alle regels over fietsverlichting overzichtelijk op een rijtje, mocht je nog een extra opfrisser kunnen gebruiken.

Kan jij nog wel wat herfsttips gebruiken? Check dan ook dit artikel, en maak jezelf klaar voor het najaar.

Foto: Richard Masoner